|
Als ik kijk naar bepaalde recente werken van
Hugo Duchateau (°1938), is mijn eerste reactie hierop: “Dit
schilderij had toch even goed anders kunnen zijn.” Het is niet moeilijk
om vast te stellen hoe zulk schilderij gemaakt wordt. Er komen geen
trucs of goochelnummers aan te pas. De kunstenaar verbergt niets. Eerst
wordt een dikke pulp verf van bonte kleuren op het doek gelegd.
Vervolgens wordt met een of ander getand instrument in
één beweging van hoog naar laag over het ganse doek
geploegd, geëgd zou beter zijn, want het doet een beetje denken
aan een boer die met een eg over de ruwe aardkluiten schraapt en ze
uiteenhaalt. Het gaat om een soort instinctmatige, primitieve
handeling, niet artificieel, niet gezocht, zo natuurlijk als mogelijk
is. Daarbij vormen zich spontaan allerlei kleurpatronen. Een kleur komt
naar boven gekropen en dringt zich op. Een kleur mengt zich met een
andere. Er ontstaan spontaan combinaties, harmonieën en
contrasten. Telkenmale die egbeweging herhaald wordt - telkenmale de
boer zijn akker omwoelt - vormt zich een onvoorspelbare gedaante, die
bij de volgende handeling weer verdwijnt en een andere laat
verschijnen. Het is afwachten tot de schilder tenslotte bij valavond
over zijn akker schouwt en zegt: “zo is het goed”. Tot hij beslist: nu
is het een schilderij. Tot zich om raadselachtige reden iets heeft
gevormd dat het geheim van een schilderij incarneert. Schoonheid krijgt
opnieuw een voorzichtige, schuchtere kans. Ze mist de zelfverzekerde
overtuiging van de oude harmonie. Het “schone” is losgemaakt van de
ketens van het “ware”. Het is een niet-ultieme schoonheid. Ze gaat
eerder gepaard met twijfel dan met waarheid. (…)
Tekst: Francis Smets, Rozen in de knop: over kunst in het
postmetafysische tijdperk, Antwerpen-Apeldoorn, Garant, 2005, pp. 84-87
|